Geschiedenis

Gilde St. Lucia Steensel
Opgericht 1716

Geschiedenis Gilde St. Lucia Steensel

Over de geschiedenis van het Sint Luciagilde is er helaas weinig te verhalen. Bij een brand in 1913 ging ons gildenarchief namelijk in vlammen op, en weinig gegevens van vóór die tijd zijn daardoor bewaard gebleven. Wel is bekend dat het gilde in 1772 de goedkeuring kreeg van de “Hoog Mogende Heren der Staten Generaal”, volgens haar besluit met bijbehorend reglement van 15 juli van dat jaar. Waar de informatie in het eigen archief door de onfortuinlijke gebeurtenis in 1913 tekort schiet, geven de kerkarchieven uitsluitsel over de teerdagen van het Steenselse gilde. Daarvan werden er jaarlijks twee gehouden: op Tweede Pinksterdag en de dag erna. Later werden de teerdagen gehouden met de kermis. Enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog zijn de dagen opnieuw verplaatst: naar de maandag en dinsdag na de viering van het naamfeest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni). Doordat de teerdag uitgebreider gevierd werd (er werd een maaltijd aan toegevoegd) werd het aantal dagen teruggebracht tot een dag. Tegen het midden van de jaren 50 van de vorige eeuw, raakte het gilde in de versukkeling. Het aantal leden daalde tot elf. Het duurde tot aan de kringgildedag van kring Kempenland in 1966 in Eersel, voordat het Steenselse gilde tot nieuw leven kwam. De overgebleven gildenbroeders vonden, na het zien van zoveel gilden uit de kring, dat ook zíj iets moesten ondernemen. Met steun van Willem van der Aalst van het Onze Lieve Vrouwegilde uit Eersel, en het Dommelse Sint Martinusgilde, ontstond binnen enkele maanden een gilde met 35 leden, waarvan vijf vendeliers. Op 18 december 1966 vierde het gilde voor het eerst haar patroonsfeest. Sindsdien wordt de feestdag van Sint Lucia elk jaar op de zondag direct voor of na 13 december gehouden. Alle gildenbroeders en gildenzusters worden na de Heilige Mis uitgenodigd voor de koffietafel. In 1968 richtte het gilde een zelfstandige drumband (“Kempengroen”) in Steensel op, waaruit sinds die tijd tamboers en bazuinblazers gerecruteerd worden. Het gilde heeft een heer van het gilde n.l. mr. Dries van Agt uit Berg en Dal. Sinds 1985 kunnen ook vrouwen toetreden tot het gilde. Het gilde telt momenteel negen dames. Voor hen is er in 2012 een nieuw uniform aangemeten. Om de financiële positie van het gilde gezond te houden organiseert het gilde sinds 1990 elk jaar in het centrum van Steensel een jaarmarkt waarbij telkens ook de nodige aandacht besteed wordt aan een stuk entertainment voor jong en oud. Op 25 mei 2013 heeft het gilde haar nieuwe onderkomen “De Gildekamer”op het sportpark aan de Knegselseweg in gebruik genomen. Het gebouw is nagenoeg volledig gerealiseerd door de gildebroeders en enkele vrijwilligers uit het dorp. In het Luciagilde wordt om de drie jaar voor de koningstitel geschoten met de kruisboog. Aan het begin van deze eeuw is er, mede op initiatief van het gilde, aan de Knegselseweg in Steensel een prachtige Mariakapel gebouwd. Een aparte stichting beheert de kapel. Leden van het gilde zorgen voor het onderhoud in en rond de kapel. Samen met de fanfare en de Stichting Mariakapel plaatst het gilde jaarlijks, buiten op het kerkplein, een kerststal. In de stal staan prachtige beelden die vervaardigd zijn door kunstenares mevrouw E. Herps uit Bergeijk. Het gilde is momenteel zeer actief en probeert dit ook uit te stralen naar de Steenselse gemeenschap. We willen onze betrokkenheid bij het maatschappelijk gebeuren in het dorp duidelijk laten zien.

De oorsprong van de gilden

Het woord gilde zou afstammen van het oud-Germaanse of Gotische woord ‘gilden’, dat betalen betekent. Nu gaat het niet over het betalen in geld noch over iemand iets betaald zetten, maar het gaat over het doorgeven van goede, waardevolle zaken. Hoe oud onze gilden precies zijn, dat weten we niet. Paus Gregorius I sprak in 601 al over gilden en Lodewijk de Vrome behandelde in 821 in de capitularia (de wetgeving) de handelsgilden. De caerten (oprichtingsakten) van de oudste schuttersgilden hebben exact dezelfde inhoud als die van de koopmansgilden. Het zijn allemaal eedbroederschappen. Eed met een ‘d’ wel te verstaan.

De middeleeuwse steden kenden verschillende soorten gilden.

De broederschappen van zuiver godsdienstige inslag werden soms gilde genoemd, maar ook wel (con)fraterniteit en altaar-broederschap. Ze werden om verschillende godsdienstige redenen opgericht, of uit bijzondere verering voor een bepaalde heilige. Het zijn genootschappen die fondsen vormden, altaren en kapellen stichtte; de leden ‘kerkte’ met elkaar.

De ambachtsgilden waren vakbonden van per beroep georganiseerde handwerkslieden. Ze werden gilden of ambachten genoemd. Het gilde der kooplieden was een specifiek ambachtsgilde, alle kooplui van de stad waren er ondergebracht.

De schuttersgilden beoogden aanvankelijk de gewapende verdediging van hun gemeenschap en de bijstand aan de heer. Het waren vrijwilligerskorpsen. Later werden de schuttersgilden een beperkte militaire macht, die in tijd van nood de plaatselijke overheid bij moest springen. Inherent aan de schuttersgilden was hun godsdienstige karakter. Elk gilde had een beschermheilige. Ook luisterden schutten met veel omhaal kerkelijke feesten en wereldlijke gebeurtenissen op. Feest-en spelelementen ontbraken niet. De belangrijkste feesten zijn het jaarlijkse vogelschieten tijdens de kermis en de viering van de naamdag van de schutspatroon. De kooplieden-en ambachtsgilden werden in de Franse revolutie verboden en verdwenen tijdens het bewind van Koning Willem I. Kerkelijke broederschappen zijn er nog nauwelijks, een mooie uitzondering op deze regel is de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap ’s-Hertogenbosch, opgericht in 1318. De schuttersgilden zijn echter op veel plaatsen blijven bestaan. Hun karakter als defensieve organisatie hebben ze verloren, maar ze zijn de wapens toch blijven hanteren als liefhebberij. Ook de idealen van dienstbaarheid aan kerkelijke en wereldlijke gemeenschap zijn gebleven, maar uiteraard aangepast aan de huidige tijd.

De oudste geschiedenis van de Noord-Brabantse schuttersgilden

Schuttersgilden zijn de oudste verenigingen van Brabant. Hun karakter als defensieve organisatie hebben ze verloren, maar ze zijn de wapens blijven hanteren als liefhebberij. Sommige gebruiken bestaan al sinds de oprichting van het betreffende gilde, andere activiteiten zijn na de Tweede Wereldoorlog geïntroduceerd als ‘het in ere herstellen van de aloude gebruiken.’ De idealen van dienstbaarheid aan kerkelijke en wereldlijke gemeenschap zijn gebleven, maar uiteraard aangepast aan de huidige tijd. De caerten (oprichtingsakten) hebben exact dezelfde inhoud als die van de koopmansgilden.

De ouderdom van een gilde kan men vaak slechts bij benadering vaststellen, bijvoorbeeld als er in de archieven gegevens te vinden zijn over de oprichting van een altaar, over de schenking van goederen of over conflicten. De caert bevat het reglement van het gilde. De caert werd uitgevaardigd door het bevoegde gezag. In het oude Brabant was dat de Hertog van Brabant, de plaatselijke heer of het hoofdgilde van de stad. Tegenover al deze privileges stond wel dat gilden in dienst stonden van de Hertog van Brabant.

Zo heeft het St. Jorisgilde uit Heusden meegevochten in de slag om Woeringen in 1288, toen de hertog de belangrijke handelsroute Brugge-Brussel-Keulen onder zijn controle wilde hebben. De gilden waren een belangrijke factor tijdens de tachtigjarige oorlog van 1568 tot 1648 in de tijd van de Spaanse overheersing. De Spaanse kapitein Alonso Vazquez vertelt in zijn dagboek dat hij alle respect had voor de gilden die men in bijna alle dorpen aantrof. Hij schrijft: De leden of soldaten van deze gilden zijn zo krijgshaftig en ervaren in den wapenhandel, dat zij voldoende zijn om de Nederlanden te verdedigen, want de wapens die zij hebben en waarin zij zich oefenen, zijn van denzelfden aard als de onze, en nog veel beter, want zij zijn keuriger onderhouden en beter vervaardigd. Behalve de piek, die de koningin van alle wapenen is, de haakbus en het musket, wapenen die zij zeer behendig gebruiken en in het gebruik waarvan zij zich zeer geoefend hebben, voeren zij ook ‘armborsten’, slagzwaarden en bogen, alleen om ze te kunnen hanteren als dit nodig mocht zijn, want in den strijd gebruikt men toch doorgaans de eerstgenoemde wapenen.

De kaart bevat onder andere de bepalingen waaruit blijkt of het gilde een beschermende taak had voor de plaatselijke gemeenschap. Het kwam voor dat de gilden politiediensten deden, zoals het aanhouden van vagebonden en misdadigers en uitleveren aan de heer. In het boek ‘De historie van het Sint Jorisgilde van Gestel en Blaarthem van 1431 tot 1981’, samengesteld door de gildebroeders Eef Reker en Frans Verhoeven, kan men lezen: ‘In een gemeenterekening van 1739/1740 verklaren B. en W. aan caféhouder Hendrik van Houtert de vertering te hebben betaald van het Sint Jorisgilde Gestel, omdat dit gilde assistentie had verleend bij de geseling van drie vagebonden.’ In een bijlage verklaart Hendrik Houtert acht gulden en zes stuivers te hebben ontvangen van burgemeester Hendrick van Til, als zijnde kosten van een ton bier, verteerd door het Sint Jorisgilde bij de executie van drie bedelaars.

In de oudste kaarten komt de band met het geloof tot uiting. De gildebroeders moesten op feestdagen gezamenlijk naar de kerk gaan, de processies bijwonen, het bevorderen van de verering van de patroon of patrones en zilvergeld offeren. Ook hadden de gilden sociale taken, zoals de zorg voor de armen en zieken en het zorgdragen voor begrafenissen van gildebroeders en het verlenen van diensten bij andere begrafenissen. Ook als er wat te vieren was, waren de gilden present. Als een nieuwe heer ingehaald moest worden of een belangrijk persoon hun dorp of stad bezocht, traden ze aan. En de plaatselijke kermis stelde niet veel voor zonder het gilde. Latere schuttersgilden pasten zich geheel aan, in het karakter van de oudere gilden. Tot aan het einde van de 18de eeuw werden schuttersgilden opgericht.

De gilden kenden een ongestoord bestaan tot in de Franse tijd, zo rond 1800. De economische crisis die de afscheiding van België veroorzaakte had ook een negatieve invloed op het gildeleven: gilden hielden op te bestaan. In sommige gevallen werden de kostbare attributen verkocht of gingen deze door verwaarlozing verloren. Toch bleef het besef van de grote waarde van het culturele erfgoed van de gilden op veel plaatsen levend. Veel gilden bleven bestaan, zij het moeizaam en sluimerend. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw begon het gildewezen zich te herstellen, soms tegen de verdrukking van de overijverige katholieke geestelijkheid en economische crisis in. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw leefden de schuttersgilden op, dankzij een algemene herwaardering van de eigen Brabantse identiteit en tradities. Nadat de gilden in het land van Cuijk hun krachten in 1933 bundelden tot een gildekring was al in 1935 heel het Brabantse land bedekt met gildekringen. Zij richtten op 7 december 1935 de Noordbrabantse Federatie van Schuttersgilden op. Het gestelde doel was en is nog steeds het in stand houden van de schuttersgilden en deze in goede samenwerking te ontplooien. Het bestuur wordt gevormd door de voorzitters van de zes kringen: land van Cuijk, Kempenland, Maasland, het Kwartier van Oirschot, Peelland, Baronie en Markiezaat. Na de Tweede Wereldoorlog sloten voormalige kerkelijke broederschappen, bijenhoudersgilden, boeren-en jagersgilden (tot zelfs een valkeniersgilde) zich aan bij de federatie van schuttersgilden. Ook nu nog wordt bij tijd en wijle een slapend gilde heropgericht. De belangstelling voor dit alles komt zeker ook van jongeren. Activiteiten als schieten met geweer of kruisboog, trommen en vendelen, spelen hierin een belangrijke rol. Ook wordt geprobeerd aan de oude idealen van dienstbaarheid aan elkaar en aan de samenleving nieuwe inhoud te geven. In die zin zijn de schuttersgilden in Noord-Brabant geen merkwaardige overblijfselen uit een voorbije tijd.